TABLE BORDER = "1" width="840" HEIGHT="120" CELLPADDING="3" ALIGN="CENTER" VALIGN="CENTER" bgcolor= "800080" >
HECKLER
Terug HET DAGBOEK VAN FRITS ANTON JAN HECKLER



Dit dagboek begint op het moment van de Japanse oorlogsverklaring op 8 december 1941 en eindigt 4 jaar en 16 dagen later op 24 december 1945 als mijn vader mijn moeder weer ontmoet in de haven van Bangkok aan boord van het Amerikaanse troepentransportschip de "Lake Charles Victory."

Dit dagboek beshrijft hoe mijn vader wordt opgeroepen om zich te melden op Java, de reis ernaartoe, de mobilisatie op het eiland Madoera, waar hij gelegerd werd, het ooggetuigenverslag van de Japanse aanval op Soerabaya, de capitulatie van het eiland, het leven als krijgsgevangene in Indonesie, de vreselijke en onmenselijke transporten naar Birma (liggen in een schip met je benen gespreid, zodat daar weer iemand kon liggen) om tenslotte jarenlang ver in het oerwoud als slaaf te moeten werken aan de beruchte spoorbaan.
Dit dagboek zat verstopt in een klein niet opvallend laatje dat mijn vader tegen de onderkant van een krukje had getimmerd. Soms zat dit boek in een kaartentas, begraven in het oerwoud als de Japanners weer eens inspectie hielden. (het was ten strengste verboden om aantekeningen te maken, je riskeerde de doodstraf)
Gelukkig is dit dagboek nooit ontdekt, zodat de lezer van zeer nabij de vele marsen( o.a de dodenmars) kan meemaken om de gevangenen van het ene kamp naar het andere te transporteren; het leven in de kampen; het onmenselijke werk aan de baan; het saboteren van de baan als de Jap even niet keek; de spannende tijden aan het einde van de oorlog, toen de Japanners steeds meer verliezen begonnen te lijden en dit botvierden op de gevangenen; de bombardementen op de spoorbaan van de Amerikanen; de geruchten dat er een bijzondere bom was gebruikt om Japan te bombarderen; en tenslotte het einde van de oorlog in augustus 1945 toen de Japanners met de noorderzon verdwenen en de gevangenen gewoon in het oerwoud achterlieten.

Het laatste deel van het boek vertelt hoe mijn vader vanuit het oerwoud in Bangkok terechtkwam; het leven in deze zwaargehavende stad en de zenuwachtige tijden die volgden omdat men niet wist wat er met hun vrouwen in Indonesie was gebeurd. Contact was zo goed als onmogelijk en tenslotte de hereniging met mijn moeder op 24 december 1945, die de oorlog in een vreselijk Japans vrouwenkamp had doorgebracht.

BOEK BESTELLEN
Op dit ogenblik wordt bij de uitgever de laatste hand gelegd aan dit dagboek van mijn vader. Indien u belangstelling heeft kunt u mij een e-mail sturen. Zodra het boek gereed is, zal ik u dan hierover berichten.
Stuur e-mail
ENKELE PASSAGES UIT HET DAGBOEK
FRITS ANTON JAN HECKLER

Zijn hele leven lang heeft hij zware last gehad van de gevolgen die hij tijdens zijn gevangenschap heeft opgelopen.

De toenmalige Nederlandse regering heeft nooit, als het enige land ter wereld!!! de salarissen uitbetaald aan zijn Nederlandse militairen in Japanse Krijgsgevangenschap van dit 4 jaar en 16 dagen durende sprookje.

Ook de naoorlogse regeringen wensen dit niet te doen.
En waarom zouden ze?
Over een paar jaar zijn toch al deze trouwe dienaren van het Nederlandse volk uitgestorven.
Hiermee hanteren ze hetzelfde motto als de Japanners in de Tweede Wereldoorlog:

DODEN KLAGEN NIET
Woensdagavond, 10 augustus 1942

Lieve Gerdy,

Met hetgeen ik hierbij voor jou op schrift stel, hoop ik je een enigszins chronologisch overzicht te geven van wat ik zoal meemaakte sinds de dag in december 1941 toen wij ‘s-ochtends vroeg afscheid van elkaar namen en wij ieder, wat de plaats betrof, een zo geheel verschillend leven begonnen. Je moet daarbij wel bedenken dat dit “gescheiden” leven van ons op het moment dat ik begin te schrijven, woensdagavond 10 augustus 1942, nog steeds voorduurt, ik nog niet weet hoe lang het zal voorduren en ik me nog steeds in krijgsgevangenschap bevind. Waar verder nog helemaal niets van bekend is wat de oorzaken of gevolgen het verloop van de krijgverrichtingen in Nederlands Indië gehad hebben, of beïnvloed hebben, zal ik mij dus bepalen tot een simpele opsomming van wat ik meemaakte en hoe ik persoonlijk de dingen zag.

********************************************************

********************************************************

2 mei 1943

Een hospitaalpatiënt werd door ze afgeranseld en naar corvee gestuurd, waar hij 3 dagen moest werken, niet mocht rusten en geen eten kreeg. Deze gevallen mogen nimmer vergeten worden! Ook het volgende niet. De afgelopen dagen trok langs de weg een grote groep krijgsgevangenen, waaronder ook een zeer groot aantal Hollanders, zo kersvers uit Singapore. Waren daar aldoor nog achtergebleven, meest zieke mensen. Vanuit Bangpon tot hier hadden zij aan één stuk door moeten lopen. Dit gebeurde hoofdzakelijk ’s-nachts en dan te weten dat het stortregent, de weg practisch onbegaanbaar, vol met stoppels en veel Jappenvervoer per auto is en dat ze constant door de bewakers geslagen worden. Dan is in te denken hoe deze mensen eraan toe zijn. Na deze 200 km “dodenmars” zien ze er zeer verschrikkelijk vermagerd en ellendig uit. Overdag, in de smoorhitte, mogen ze wat rusten. Ze hebben veelal geen enkel droog kledingstuk meer. Ze trekken nog verder naar het noorden door.

16 mei 1943

Vandaag eindelijk, na meer dan 14 dagen hard werken aan de “Railway”, weer eens een vrije dag. Wordt benut om al onze, ons nog resterende spullen eens goed te drogen. Onze tenten zijn allerminst waterdicht. s-Middags en ’s-nachts stroomt het regenwater rustig naar binnen. Het krioelt hier nu van de schorpioenen en de klabangs. Word je door een schorpioen gebeten dan helpt het wel om op de bewuste plek een plasje, dus wat urine, van jezelf te laten lopen! Verder proberen we in onze tenten baleh-baleh’s te maken van bamboe uit het bos. Dan liggen we tenminste wat boven de grond. Dat liggen op de grond in die vochtigheid gaat op den duur ook niet meer. De afgelopen weken kregen we in ons kamp versterking van 200 man, Australiërs om het werk “Speedo-speedo” af te maken, zoals de Jappen maar steeds brullen. Er werden toen tegelijkertijd 150 Hollanders, zieken, naar beneden afgevoerd om daar “op te knappen.” Hoe ze het daar zullen hebben? Werkelijk beter dan wij? Wij komen, hoe gek het ook klinkt, wat gunstiger als kamp te liggen. Veel kampen beneden, aan het begin van de lijn, worden opgebroken omdat de lijn er daar nu ligt en naar “boven” ons wordt verplaatst. Daardoor komen wij nu eens wat gunstiger te liggen v.w.b. de aanvoer van levensmiddelen. Ook komen de Thaise prauwen nu hier langs met tenminste nog wat etenswaren voor de verkoop aan boord. Adriaan Folkersma zou ook afgevoerd worden, maar heeft ervan afgezien omdat we beiden er erg tegenop zagen uit elkaar te moeten gaan. We zijn al 1 ½ jaar samen opgetrokken en dan heb je een enorme steun aan elkaar. Deze week ook weer een staaltje Japanse propaganda meegemaakt. Op één van de corveedagen moesten we ons op een gegeven ogenblik allemaal in het woud terugtrekken en namen de Jappen onze plaatsen aan de baan in en werkten als mieren! Al gauw bleek de reden hiervan; er kwam een filmploeg die moest vastleggen wat de Japanse soldaten ver van huis óók nog moesten doen! Commentaar overbodig! Geruchten vertellen dat er in het noorden, richting Brits-Indië zwaar gevochten wordt en dat de Japanners verliezen lijden. Vandaar wellicht die enorme haast om de lijn in bedrijf te krijgen. Vandaag kregen we plotseling voorbedrukte kaarten om naar onze familie te sturen. Erg mooi, volgens die kaarten worden we goed behandeld, hoeven nauwelijks iets te doen en krijgen we goed betaald! Waar zou dit nu weer op duiden? 1½ jaar geen enkel contact met de buitenwereld en nu die kaarten opeens. We zijn wel erg sceptisch gestemd omtrent de kans dat jullie deze zullen ontvangen. Een zeer droevig bericht bereikte ons hier. In Kinsayok zou Nijhof overleden zijn. Een ontzettend iets, nog zo jong. Ik kon er geen bevestiging van krijgen. Ik begin nu ook de verschijnselen van Beri-beri te voelen. Wij noemen dat “Happy Feet.” Dikke benen en ’s-nachts niet om te slapen van een soort jeukgevoel. Verder erg veel pijn in de voeten, vooral ’s-nachts. Voorts pijn in de vingergewrichten.

23 mei 1943

Regen, regen, regen, al drie dagen achter elkaar! Onvoorstelbaar. Je ziet het daglicht nauwelijks meer. Nooit gedacht dat er zoiets bestond. Je wordt er enorm somber door gestemd. Alles door en door nat. We kunnen ook geen vuurtjes meer stoken. Onze tent is nu compleet een gieter. Mijn holle kies heb ik met een creosootpil van de dokter dichtgestopt; heeft een pijnstillend effect, houdt evenwel slechts één week. Hopelijk zijn er nog een tijdje van die pillen! De gebitten van de diverse mensen zijn uiteraard erg slecht geworden. Het versnelde tempo van afbouw van de spoorweg houdt aan. Vader zou geen nacht hebben kunnen slapen als hij deze aanleg zou hebben meegemaakt. We gooien nu gewoonweg, als de Jap niet kijkt, hele boomstammetjes in het baanlichaam en bedekken deze dan vlug weer met aarde. Dan schiet het werk natuurlijk harder op, maar straks spoelt alles onder de stammen natuurlijk weg en zakt dat stuk van de baan als een pudding in elkaar! Even een beschrijving trachten te geven hoe die baanaanleg eigenlijk in zijn werk gaat. Om te beginnen; gereedschap is er eigenlijk niet. Alleen een slecht soort patjols (schoffels). Verder een paar botte trekzagen en tandoels (draagbaren gemaakt van twee bamboestokken waar tussen een goeni (oude rijstzak) gespannen is. Daar wordt de aarde gedeponeerd die naar het baanlichaam moet worden gebracht. Dit draag je met zijn tweeën nadat je die tandoel eerst hebt volgeschoffeld met die patjols. Ik beschreef al eens dat er eerst een rintus gekapt werd in de hoofdrichting van de toekomstige baan. Daarna moesten we parallel aan de baan eerst een soort autoweg aan leggen en vervolgens moest die rintus verbreed worden tot een vrije strook van zo’n 50 meter breed. Daarna wordt gewerkt aan het eigenlijke baanlichaam; een trapeziumvorm met een hoogte van zo’n één meter. Zakt na een poosje in tot op een 60 centimeter. De aarde nu voor de baan, of liever dat baanlichaam, wordt gehaald uit de brede strook naast de baan. Dit werk gaat in “taakstelling.” D.w.z. ’s-ochtends vroeg bij aanvang zet de Jap met bamboe een vierkant uit van een x-aantal meter in het vierkant. Je moet dan een put van één meter diep maken van dat vierkant. Eerder ga je als koppel of zelfs de hele groep ’s-avonds niet naar huis! Ook geven ze wel eens een aantal meters baanlengte als taak( voor ons beter, zoals met het inwerken van die boomstammen). Dit betreft de baan op vlak terrein. Moet je door een heuvel of een berg heen dan eerst een tracé hakken en daarna de vrij gekomen aarde of steenslag dragen naar een plaats waar de baan opgehoogd moet worden. Als straks ons traject gereed is komt de “spijkerploeg”, dat zijn mensen die de rails leggen. Vooraf worden dan de dwarsliggers (ruwe uit het bos gezaagde kleine stammetjes) gelegd, dan de rails daarop vastgespijkerd. Vermoedelijk zal er ook nog wel zoiets als steenslag opmoeten. Dat zien we t.z.t. wel. Het valt ons op dat de Jappen bij de aanleg de weg van de minste weerstand voor het tracé kiezen. D.w.z. ze vermijden te zware ingravingen om maar vlug verder te komen, maar daardoor worden de hellingen enorm zwaar. Zal me benieuwen of de locomotieven straks de treinen wel omhoog kunnen trekken! Verder gaan ze als het enigszins kan om ieder bergje heen. Gevolg erg veel bochten in de baan en dus veel zwaarder tractiewerk. Zo, nu weet je iets van de techniek van aanleg. Wij zoeken zo heen en terug lopend van de baan in het bos naar wilde spinazie(krokot), wilde vijgen of wat daar op lijkt voor ons eten. Krijgen we wat vitaminen naar binnen. Verder zie je in deze wildernis vele mooie vlinders en vreemdsoortige insecten.

********************************************************

********************************************************

29 juli 1943

Na weer een paar dagen flinke koorts ben ik nu wel weer zover dat ik mee hout kan gaan halen. Weer nieuwe geruchten, nu dat we naar Java teruggaan of naar Indo-China. Zou aan dat gesol met ons dan nooit een einde komen? Als voorbeeld aan wat voor lichamelijk letsel we hier worden blootgesteld, het navolgende: I n het kamp hier verder naar boven, grenzend aan het einde van “ons” baanvak, worden de mensen met stokken in hun slaap gewekt om naar het werk te gaan. Een Cadet-vaandrig ligt daar op met hoge koorts, staat niet onmiddellijk op, wordt andermaal geslagen waarbij de stok zijn oog treft en zo ernstig dat hij hem zal moeten missen. Wanneer de Jap duidelijk gemaakt is wat er gebeurd is, wordt hij weer geslagen en moet, na voorlopig verbonden te zijn, toch naar het werk. Commentaar overbodig! Laten we deze dingen later toch niet vergeten!

3 augustus 1943

We leven nu wel in de grootste ellende zoals we dat tot nu toe beleefden. Iedereen werkt nu aan de baan. Dus geen hout meer in de keuken, geen warm eten meer. De enkele “gelukkigen”, die werkelijk doodziek zijn, in de letterlijke zin, verblijven alleen nog in het hospitaal, echter onverzorgd want ook de verplegers zijn nu naar het werk geslagen. En steeds maar die regen. Ongelooflijk dat er zoveel water kan vallen! Vele duikers en bruggen (van ruw hout) zijn alweer weggeslagen. Een ellende, moeten weer opnieuw gemaakt worden. Erg veel mensen hebben nu ook voeteczeem, hetgeen buitengewoon pijnlijk is. Vandaag ging ik naar Westerkamp, voelde me ellendig, en daar ter plaatse ging ik ineens van mijn stokje. Bleek geelzucht te hebben. Vandaar dat ik nu lig te schrijven, hoewel ik me zo slap voel dat ik nauwelijks de latrine haal. Het is wel moeilijk om optimistisch te blijven. Ons bereikte nu het gerucht dat Sicilië door de geallieerden zou zijn ingenomen. Verder het verdwijnen van Musolini en het optreden van Badoglio in Italië. Zou het waar zijn? Weer trokken er hier Hollanders in noordelijke richting voorbij; dat zal toch niet ons lot worden?

8 augustus 1943

Vandaag na een onmenselijke zware week, ineens een vrije dag, de eerste na 9 weken! Iedereen is kapot en 90% heeft vreselijk opgezette dikke voeten door het voortdurend in het water staan bij het werk.

15 augustus 1943

Vannacht, na een week van onbeschrijfelijke ellende, waarin geslagen is op een verschrikkelijke manier, waarbij mensen die van uitputting neervielen, gewoon met stokslagen weer werden bijgebracht; alles om die beroerde dijk maar op tijd klaar te krijgen, zijn de rails tot bij ons kamp gekomen. En vandaag rijden hier al werktreinen voorbij. Platte wagens met rails erop en voortbewogen door een diesellegertruck, voorzien van spoorwielen. We hebben allemaal een zucht van verlichting geslaakt, dat het zover is, want we hopen dat het werk nu minder zwaar zal worden. Het is eigenlijk een tegenstrijdig iets, want voor de geallieerde zaak mocht deze baan natuurlijk niet klaar komen want hij is enorm belangrijk voor deze honden van Jappen. Maar het geeft ons een zekere steun te weten dat we weer met de bewoonde wereld verbonden zijn en nu wellicht wat betere aanvoer kunnen verwachten. Hoewel ik nog behoorlijk last van geelzucht had, ben ik ook de tent uitgeranseld en moest mee. Voorlopig schijnen we hier niet vandaan te gaan. Verandering zou echter wel erg prettig zijn. We zitten nu alweer 7 maanden in Siam.

30 augustus 1943

Het is alweer twee weken geleden dat ik mijn laatste pennevrucht aan deze papiertjes toevertrouwde. We zouden na de 15e “Light work” aan de Railway krijgen, maar het lijkt er echter niet op, hoor. De Japanner is en blijft in alles een bedrieger. Verder beginnen ze steeds meer de “pik” op ons te krijgen. Onze tenten zijn nu geheel aan flarden en trachten we tussendoor barakken te bouwen. Als ze klaar komen zou dat een hele verbetering betekenen. Volgens de laatste geruchten moeten we hier nog drie maanden zitten. We moeten de “Montagne Russe” in een enigszins bruikbare spoorweg helpen afmaken, of liever herscheppen. Ik heb voor 11 tical van één van onze manschappen nieuwe schoenen gekocht, was er finaal doorheen. De geelzucht ben ik te boven, maar nu begint de ellende met de ingewanden weer.

********************************************************

********************************************************

15 juli 1945

Er is weer een bombardement geweest en wat gebeurt er aan het eind? Eén van de vliegtuigen komt na een draai weer over het kamp heen en schuin voor ons zien we het bommenluik open gaan en je weet dat gaat mis, de bom die er nu uit komt valt zeker boven op je. Kwestie van ervaring, gaan ze boven je hoofd open dan vallen ze achter je. En ja hoor, daar komt ie, maar hij valt wat langzamer en giert niet zo. En dan ineens op zo’n 200 meter hoogte een knal en plotseling allemaal pamfletten die vlak voor ons neerkomen! Of ze ook wisten dat we hier zaten. Weer “Victory News.” Mededelingen over het gunstige verloop van de strijd. In Europa nu afgelopen, nu de Pacific nog. Verder waarschuwing om de pamfletten niet op te rapen. Zeker niet overbodig; de Jappen schreeuwden, vloekten en sloegen als gekken.

22 juli 1945

We gaan verhuizen. Transporten van 400 man, om de 5 dagen. Gaan naar het oosten.

29 juli 1945

Van 22 juli tot 28 juli op reis geweest. Verschrikkelijke tocht. Thans weer in de rimboe, nog erger dan vroeger. Onderweg vele vernielingen gezien, o.a. Bangkok. Zware mars 45 km, +/- 20 km per dag.

17 augustus 1945, Nakhon Nayok

Gisteren plotseling het gerucht dat de oorlog afgelopen zou zijn. Vandaag werkelijkheid! Eerst werkelijk niet te geloven, Schat! Het kampleven gaat overigens gewoon door, zij het met minder tempo en dwang, maar wel uit noodzaak want we hebben hier niets. We krijgen ineens van de Jappen Rode Kruis goederen die al in 1942 verstrekt werden! Gisteren kwam hier een groep aan, waarbij Hannensen en Folkersma zaten. Beiden totaal uitgeput. Zijn dus weer bij elkaar. Toen ik het Han mededeelde dat we vrij waren was zijn eerste reactie dat hij het wel best vond, dat grapje, maar dat hij veel te vermoeid was om zoiets nu te appreciëren! Geloofde het natuurlijk niet. Ik heb momenteel erg last van eczeem aan mijn voeten. Singapore feet!

19 augustus 1945.

Vandaag de eerste dag van de werkelijke vrijheid!

Het is zondag en zal ik deze dag benutten om je verslag te doen van onze belevenissen sedert de laatste keer dat ik wat kon opschrijven en ook nog enkele details van de tijd daarvoor. Door de steeds vaker terugkerende onderzoeken van de Kempetai waarbij steeds meer van onze spullen werden geconfisqueerd, vooral alles wat als schrijfbehoeften kon worden aangemerkt, heb ik veel in een enkel woord moeten noteren op een enkel klein vodje papier dat gemakkelijk kon worden weggestopt. Van het kamp Canchanabury moet ik nog vermelden dat toen wij daar aankwamen het veld te klein was om alle officieren te herbergen. We hebben dan ook constant gewerkt aan het bouwen van nieuwe barakken, tot de laatste toe. Ik heb me bij zo’n bouwploeg aangesloten. Het is ten eerste prettig dat je dan tenminste de hele dag onder elkaar kon werken zonder voordurend zo’n schreeuwende aap achter je te hebben en ik vond het bevredigend iets te doen wat zin had en je leerde er nog iets van dat werken met bamboe, rampi en atap. Overigens werd je wel achter je vodden gezeten want er moest steeds iets in een bepaalde tijd af zijn. Verder moet vermeld worden dat de aanleiding tot het bombardement van de 22ste maart was het feit dat de Jappen een locomotief naast ons kamp op de baan hadden gestationeerd. Er vielen toen bij ons doden en vele gewonden. Al met al was het een naar kamp met steeds meer pesterijen van de bewakers. Eerlijk gezegd waren we eigenlijk wel blij toen ons op 21 juli werd aangezegd dat we de volgende dag weer opstap zouden gaan. Het begon natuurlijk weer met heel vroeg op en daarna weer uren wachten langs de spoorbaan achter ons kamp. Wij waren de 2e groep die werd afgevoerd naar, zoals gebruikelijk, onbekende bestemming. Eindelijk kwam er dan toch een trein voorrijden, bestaande uit een locomotief met een stel platte open wagens. Boven op deze wagens lagen rails, daarop een stapel dwarsliggers en daarop gingen de krijgsgevangenen! Het had wel dit voordeel dat we onderweg alles heel goed konden waarnemen. Verder was de snelheid van de trein nu niet zo heel erg hoog. Machinisten waren Japanse gemilitariseerde jappenmachinisten die witte handschoen aan hadden. Waar je al niet op let als spoorman krijgsgevangene. We reden langs Tumuang, Bangpon en Nong Pladuk. Konden duidelijk zien hoe zwaar de bombardementen waren aangekomen. Enorme vernielingen aan de emplacementen, vele kunstwerken vernield, uit elkaar geslagen wagens en locomotieven. Na een langdurig oponthoud te Bangpon ging de reis in stromende regen verder en was het bar koud daar op die wagens. We passeerden het grote ziekenkamp bij de stad Nakhon Paton en reden verder naar het oosten, richting Bangkok. Tegen het eind van de dag stopte de trein vrij abrupt, naar het scheen midden onderweg. Al gauw bleek wat de reden was. Een vrij grote brug, over de rivier Suphan, gelegen tussen Bangpon en Bangkok (ongeveer halverwege), bleek er tussenuit gebombardeerd te zijn. De trein kon niet verder en de rails en de biels waren dus voor het herstel van dit stuk. Dat werden we onmiddellijk gewaar want de trein stond nog maar nauwelijks stil of er kwam een stel schreeuwende Jappen op ons af die ons duidelijk maakten dat er van ons verwacht werd dat we “speedo speedo” de wagens zouden lossen. Een heel prettig werkje nadat we koud en verkleumd, want het was ondertussen weer gaan stortregenen, van de wagens op de steile dijk gesprongen waren. Onze schamele barang rolde daarbij naar beneden onderaan diezelfde dijk Het was me wel een toestand. Onze reisbegeleider, een hond van een Japanse sergeant-majoor, deelde menige stokslag uit. Tenslotte was dit evenement ook weer voorbij en werden we in kleine prauwtjes de rivier overgezet. Een hachelijke onderneming want het ging intussen flink waaien en menig bootje kwam in moeilijkheden want er zaten natuurlijk veel te veel mensen in. Maar ja, nat, doornat zelfs, waren we toch al. Aan de andere kant werden we een soort klooster of Thaise kostschool ingestouwd, kregen daar eindelijk iets te eten en moesten toen maar zien iets te rusten in de kale ruimten. De volgende mogen vroeg, 23 juli, weer in een andere trein. Nu in de bekende stalen goederenwagons, gesloten type, en voortsukkelend in de richting Bangkok. We hadden een andere reisleider. Naar verluid was de vorige ’s-avonds verdronken bij de oversteek. Tegen het eind van de middag kwamen we op de Oostelijke oever van de Menam Chao, de rivier waaraan Bangkok ligt, aan op het station Bangkok Noi. Het hoofdstation van Bangkok ligt in het centrum van de stad op de andere oever. De geallieerden hadden echter de grote brug in de spoorbaan ten noorden van de stad totaal vernield zodat de lijn hier weer onderbroken was. We werden in prauwen overgeladen en voeren tegen zonsondergang de rivier in zuidelijke richting af, waarbij we een prachtig gezicht hadden op enkele hele mooie pagoden, o.a. de WAT Arun, de Porceleine Pagode. We werden gebracht naar het nieuwe havengebied van de stad Klong Toey. Aangezien het kennelijk laagwater tij was moesten we met touwladders tegen een metershoge kade opklauteren en kwamen weer in een plaatijzeren loods terecht, precies zo één als die in 1942 op Perak, Soerabaya. Daar op de smerige betonnen vloer moesten we maar zien de nacht door te komen. Een hap rijst kwam er tenslotte ook nog. De Jappen waren ontzettend nerveus en onze tolk, een Engelse officier, werd om niets meteen maar afgeranseld. De volgende dag, de 24ste dus, moesten we achter de loods corveeën en ontdekten een soort poeltje met wat water er in. Omdat we ons al 2 dagen niet hadden kunnen wassen en uiteraard smerig en vies waren van die dagen reizen en corveeën, gingen we om de beurt ons daar maar mandiën. Achteraf stom natuurlijk want het was brakwater en hebben we later erg veel last van een jeukende huid gehad. Net toen ik klaar was gingen er sirenes loeien, was er luchtalarm en zagen we even later reeds in de verte Liberators Bangkok bombarderen, op klaarlichte dag. Kennelijk hadden de Japanners geen enkel vliegtuig meer in de lucht. Hoewel we natuurlijk blij waren met dit voorval gaf het je toch in dit havengebied, dat al vaker het doelwit van onze bevrijders was geweest, een onbehaaglijk gevoel. Je kon gewoon nergens heen als het mis ging. ’s-Avonds was er plotseling weer een uitgebreide tellerij (appèl) en gingen we weer op pad. Ergens verderop bleek een goederentrein te staan en voort gingen we weer met het reisbureau Nippon. We konden ons goed oriënteren. Met een grote boog reden we oostelijk om Bangkok heen naar het hoofdstation in Bangkok centrum. Daar werd de locomotief aan de andere kant geplaatst en vertrokken weer, in oostelijke richting. Tijdens het oponthoud op het grote station konden we een gesprek met Thaise spoorwegmensen aanknopen, die ons vertelden dat de Jappenoorlog wel niet meer lang zou duren. Weer rijdende kwamen we langs de centrale werkplaatsen van de spoorwegen die behoorlijk beschadigd waren terwijl er verderop in Bangkok ook veel schade van de bombardementen te bespeuren viel Vooral fabrieken en centrales waren getroffen. We reden de gehele nacht bij heldere maan door en werden de 25ste midden op een dag op een klein station uitgeladen. Naar onze schatting lag dat zo’n 150 km N.O. van Bangkok, dus richting Indo-China. Toen begon de ellende pas goed. We moesten meteen op mars. Het zou weer naar een “heel goed kamp” zijn, volgens de Jap. Eten kregen we nauwelijks en drinken helemaal niet. Het werd werkelijk een marteltocht, met slaande Jappen achter degenen die nauwelijks meer in staat waren om te lopen. ‘s-Nachts sliepen we gewoon langs de kant van de weg. Grotendeels bestond het landschap uit natte rijstsawah’s en sukkelden wij voort op een stoffige weg daar tussendoor. De volgende dag, de 26ste tegen de middag konden we gewoonweg niet meer van de dorst. Ik heb toen voor de tweede keer ervaren dat dorst hebben veel en veel erger is dan honger lijden. De eerste keer was dat na de treinreis uit Berangkassi toen we in Nong Pladuk aankwamen. Je raakt eigenlijk een beetje van zinnen. Op een gegeven ogenblik lieten we ons gewoon op de grond in de sawah vallen en slurpten het vuile troebele bevloeiingswater. Het kon ons niets meer schelen, dysenterie- of choleragevaar deden ons niets meer. We redeneerden, voor zover je nog van redeneren kon spreken, we moeten nu zo langzamerhand dan meer immuun zijn voor deze ziekten. Op de 27ste sleepten we ons nog voort en de volgende dag verlieten we op een gegeven moment de weg en trokken langs een pad weer de jungle in, een dicht bamboebos. Na een uur of twee kwamen we aan een kamp in wording, bestaande uit enige half afgebouwde barakken waarin de eerder vertrokken groep huisde. Vanaf de spoorbaan hadden we toen zo’n 45 km gelopen. Dit bleek onze nieuwste verblijfplaats te zullen worden. Er was geen weg naar toe en moest alles gedragen worden, natuurlijk door ons. De mensen die er al zaten vertelden ons dat we midden in een verdedigingsgebied van de Jappen lagen, die kennelijk hier weerstand tegen de oprukkende geallieerden uit Birma wilden bieden, waarbij wij goed ingesloten zouden blijven. Geen leuk vooruitzicht. Vanaf de 28ste juli zaten we dus in dit kamp, dat “Nakhom Nayok” heet. Reeds de volgende dag begonnen de corveeën weer, echter hoogst noodzakelijk want het kamp lag niet aan een weg en alles moest dus gehaald worden via de lange wandeling door het bamboebos. Dat werd dus in een eindeloze “slang” van krijgsgevangenen rijstzakken, bamboe en atap sjouwen, dag in, dag uit. Zo om de vier dagen kwam er weer een groep van 400 nieuwelingen aan, dus het bijbouwen van barakken was gewoonweg niet bij te houden. We begonnen maar met de bouw van een ziekenbarak, want dat was hard nodig. Velen waren er na de zware tocht erg aan toe. Een heel akelig geval maakte ik mee toen ik laatst deze ziekenbarak hielp mee opzetten. Midden in de in aanbouw zijnde barak, zonder enige voorziening, totaal leeg, zat op een soort geïmproviseerde stoel, vastgebonden, een jong Brits officier; had een hersentumor, was niets aan te doen. De Japanse commandant was honds en dus werd er door zijn mensen ook zo opgetreden. Zo ongeveer de 10e of 11e augustus vernamen we iets van een bijzondere bom die op Japan gegooid zou zijn. Kort daarop hoorden we van een atoombom, afgeworpen o p Hirosjima en op Nagasaki. Eén onder ons, een natuurkundige, had ons iets bijgebracht omtrent de vermoedelijke werking en uitwerking van een dergelijke bom. Het volgende bijzondere feit was dat op 15 augustus de Japanse Kampcommandant de gehele dag weg geweest was, ’s-avonds bij terugkomst erg tegemoetkomend tegen ons was! De volgende dag werden er Rode Kruis voorraden verstrekt, zoals ik aan het begin van dit achteraf verhaal reeds vermeldde en op de 17e ’s-middags deelde Negoetsji, de Japanse kampcommandant ons pas mede dat de oorlog afgelopen was! Kennelijk wilde hij eerst nog iets doen om niet een al te slechte indruk achter te laten! Het kamp staat nu onder Engelse leiding. We hielden een korte doch aangrijpende plechtigheid waarbij we gezamenlijk, Engelsen, Amerikanen, Australiërs en Nederlanders, de gevallen lotgenoten herdachten. We wachten nu nadere orders van Bangkok af en trachten intussen zo goed mogelijk in leven te blijven, want we hebben nauwelijks voorraden. De Japanners zijn met stille trom vertrokken. Het zal nog wel een poosje duren voor we hier weg zijn. Gisteren een nieuwe handdoek gekregen en voor het eerst weer eens een eendenei gegeten. Het kamp is nog steeds half afgebouwd en we liggen gewoon op de grond.

********************************************************

********************************************************

20 november 1945, Bankok

Er zijn uit Holland enkele doktoren gekomen om onze gezondheidstoestand te bekijken. Verder is er nu ook zoiets als een officiële Nederlandse civiele vertegenwoordiging, zij het dan ook uiterst bescheiden. Op een avond hebben we een tweetal van die doktoren bij ons op de Sporting club in onze etensmess te dineren gevraagd. Vooraf aan onze “Bar” een borrel aangeboden. Nou schenken die Thais een allergemeenst soort jenever of arak of wat het ook mag zijn. Je moet er weinig en langzaam van drinken. Nu, onze gasten werden gauw spraakzaam. Bleken twee psychiaters te zijn in dienst van de Koninklijke Marine en vertelden dat ze gestuurd waren om ons eens heel goed te bekijken omdat het gerucht ging dat we onhandelbaar en totaal verwilderd zouden zijn. Vertrouwelijk deelden ze ons mee dat wij ze heel erg meegevallen waren, ja dat ze zelfs versteld waren wat we zelf allemaal geregeld hadden! Kijk, dat gaf ons toch weer een hoop zelfvertrouwen.

6 december 1945

We vierden op gepaste wijze, doch op gezellige wijze St. Nicolaas. Er gaan geruchten dat er vrouwen en kinderen naar Siam zullen komen. We zijn er eigenlijk niet zo enthousiast over. Het land biedt hier zo weinig. Maar aan de andere kant is het toch beter dat jullie zo vlug mogelijk Java verlaten. Het zou toch wel grappig zijn als ik je hier in Bangkok had.

15 december 1945

Het is inderdaad een feit, jullie komen naar Bangkok. Diverse hotels hier, zoals de Oriëntel en Trocadero hotel worden voor de opvang in gereedheid gebracht, terwijl ook in andere plaatsen buiten Bangkok accommodatie wordt gecreëerd. Ik heb me opgegeven om als transportofficier de vervoeren te regelen en begeleiden. Men is hier bezig de hotels Oriëntel en Trocadero voor de opvang van de vrouwen en de kinderen in gereedheid te brengen. Toch is de accommodatie te gering, zodat we er ook velen buiten Bangkok zullen moeten onderbrengen. Nu hebben wij in onze kongsi nooit mee gedaan aan “C&C.” (Connectie en Corruptie). Hannessen en ik hebben echter afgesproken dat we de transporten, voor wat betreft de indeling en bestemmingen van de trucks die jullie zullen vervoeren, zo te regelen dat jullie, onze vrouwen met de kinderen van Hannessen, in ieder geval in Bangkok terechtkomen.

23 december 1945

Vandaag zijn we met een lange colonne vrachtwagens naar Paknam geweest en hebben daar tevergeefs op jullie gewacht. Wat de reden is weten we nog niet; we zijn daar behoorlijk verbrand in het tropenzonnetje aan de zeekust. Morgen gaan we er weer heen. Henny Elshof heeft al maatregelen genomen om onze vrouwtjes op Kerstmis ten eten in onze mess te kunnen ontvangen. Wat zal dat een prettig gebeuren zijn, Schat, na zoveel jaren.

24 december 1945

Vanmiddag, om 14.15, heb ik je weer terug, Schat van mij, en wel aan boord van het Amerikaanse troepentransportschip, de “Lake Charles Victory.” En wat voor een vrouw! Knapper dan ooit en slank! En hiermee, lieve Schat, is dit verhaaltje aan jou, dat precies 4 jaar en 16 dagen duurde, ten einde.

Voortaan zullen we hopelijk in het leven weer samen verder kunnen gaan. Hoewel de toestand en de vooruitzichten nog erg onzeker zijn, heb ik toch zeer goede hoop voor de toekomst.

Bangkok 24-12-1945

Frits