| HECKLER |
| Terug | DDO ( De Dag des Oordeels) VRIJDAG 13 JUNI 2014 boek is in bewerking |
|
DDO (De Dag des Oordeels) is een spannende en mystieke thriller die zich grotendeels afspeelt in het jaar 2013 en 2014.
Samen met zijn nichtje Sharon neemt professor James Long u mee op een fantastische reis die eindigt, maar tegelijkertijd ook weer
begint op de echte Dag des Oordeels, vrijdag 13 juni 2014.
Op 18 september 2013 geeft professor Long in Amerika één van zijn beroemde avondcolleges. In zijn theorie verklaart hij hoe het leven, de dood en de tijd met elkaar verbonden zijn. Met logische voorbeelden toont de professor aan dat tijd zowel eindig als eeuwig is en dat daarop het leven en de dood zijn gebaseerd. Ook wat er met je na het aardse leven gebeurt, verklaart hij op een logische wijze. En dat is helemaal niet eens zo eng als het allemaal wel lijkt. Tijdens dit college raakt zijn zeventienjarige nichtje Sharon McKenzy onder mysterieuze omstandigheden bij Stonehenge in verwachting. Vanaf dat ogenblik is de Dag des Oordeels nog maar negen maanden minus zes dagen verwijderd en gaat de zwangere Sharon deze voorbereiden. Waarom minus zes dagen? Ook dat is logisch, heel logisch. Een andere mogelijkheid voor het houden van deze dag bestaat er namelijk niet. Maar dat begrijpt u pas, als u zelf op de Dag des Oordeels bent aangeland. En die dag ziet er heel anders uit dan verwacht. Ja, er wordt een oordeel geveld, maar de wijze waarop dit gebeurt is uniek. Zeer uniek en totaal afwijkend van de gedachten en theorieën die men er tot nu toe over heeft. Maar eigenlijk is het ook logisch dat het op deze manier gebeurt. Er wordt namelijk een race gehouden, met voor de winnaar een zeer bijzondere hoofdprijs. De nuchtere Amerikaanse rechercheur Jane Jennings ontdekt als eerste vreemde gebeurtenissen die verband houden met de voorbereidingen van deze dag. Ze gaat op onderzoek uit en raakt verwikkeld in een web vol mystiek. Ze volgt Sharon op haar voorbereidingstocht. Jane raakt er uiteindelijk zover betrokken in dat ze tot de groep van acht behoort die wordt vrijgesteld van de race. De hoofdprijs krijgt ze dan niet, maar voor haar is dan wel een belangrijke rol weggelegd. Een rol die we allemaal kennen, maar nooit hebben begrepen hoe die is ontstaan. Alleen zal Jane dan geen Jane meer heten. Oh, ja. Er is ook nog een negende persoon die niet aan de race meedoet. Maar daar is Sharon niet erg blij mee. En dat is zeer zwak uitgedrukt. In DDO vertolken twee vrouwen de hoofdrol. De zeventienjarige Sharon en de negentwintigjarige Jane. Op een gegeven moment krijgen ze een bijzondere “relatie” met elkaar. Een relatie die ooit nog maar één keer eerder op onze aarde heeft bestaan. Hoewel er ook groeperingen zijn, en daar is ook iets voor te zeggen, die beweren dat deze relatie, met de nadruk op het woord deze, geheel nieuw is. Ik zelf laat dat in het midden. |
![]() |
| INTRO PROFESSOR LONG | EEN STUK UIT HET BOEK |
|
Het leven, de dood en de tijd. Volgens het klassieke model duurt de periode voor je leven en de periode na je leven, ook wel de dood genoemd, oneindig lang. Projecteren we ons korte leven op die tijdas, die dus aan beide kanten oneindig lang is, dan is de kans dat we juist nu leven oneindig klein. Eigenlijk zouden we elkaar niet eens mogen kennen, laat staan ontmoeten. Maar we leven echter met z’n allen nu. Dat is een gegeven. Hoe komt dat nou? Dat komt omdat in de periode voor ons leven en in de periode na ons leven er geen tijd heerst. In dat geval is de kans dat we nu leven altijd 100%. En dat klopt ook, want we leven nu. U leeft toch? Ik ook trouwens. ‘Professor, hoe zit het dan met mijn opa? Die is al tien jaar dood.’ Klopt, maar dat zeg je vanuit jouw tijd en niet vanuit zijn tijd, die trouwens niet eens meer bestaat. ‘Ontmoet ik mijn opa dan nog eens een keer?’ Het antwoord is ja, want met het intreden van zijn dood is zijn levensenergie niet verloren gegaan; het zit alleen in de toestand geen tijd, terwijl er bij jou nog wel tijd heerst. Doodgaan betekent dus alleen maar een verandering in de toestand van de tijd. En niets anders. Trouwens, nu ik het er toch over heb. Energie heeft één heel belangrijke eigenschap. Het voldoet aan de tweede wet van het bestaan. De wet waarop alles en ook maar alles is gebaseerd, alleen de eerste wet zit nog hoger in de hiërarchie. Volgens de tweede wet kan energie nooit verloren gaan, het kan alleen van toestand veranderen; maar verloren gaan, dat nooit. En dat geldt ook voor de levensenergie. ‘En wanneer ontmoet ik mijn opa dan weer?’ Op de Dag des Oordeels. Want op die dag vallen de tijdstippen geen tijd en wel tijd samen op een uniek punt van de tijdas. Dat noemen we het absolute middelpunt. En daar komen alle levensenergieën, ook die van jouw opa, jezelf en alle andere nog levenden, bij elkaar.’ ‘En in welke vorm?’ Dat heb je zelf in de hand en ik zou er maar zorgen dat het de juiste is, want anders verlies je de race op de Dag des Oordeels. Een race die al miljarden keren heeft plaats gevonden en die nog miljarden keren zal plaatsvinden. Een race die we ook in ons aardse leven zo goed kennen, maar dan onder een heel andere naam. Een race die we allemaal willen winnen, want de hoofdprijs mag er zijn. Een race die we niet willen verliezen, want dat is, zachtjes uitgedrukt, niet leuk. Je volgt dit niet meer? Daar kan ik heel goed inkomen. Het is lastig op deze manier. Maar indien je geïnteresseerd bent, nodig ik je uit om mijn avondcollege bij te wonen dat op bladzijde 21 begint. Daar leg ik alles helder en met voorbeelden uit. Jouw kijk op het leven, de dood en de tijd en de onderlinge samenhang tussen deze begrippen, zal drastisch veranderen. Voor sommigen zal dit zelfs een regelrechte schok zijn. Ik zie je op het college. Professor James Long. ‘Professor, nog een laatste vraag. U had het over een eerste wet, die nog hoger in de hiërarchie zit dan de allesomvattende tweede wet. Kunt u dat toelichten of moet u nu al weg?’ Zeker, de eerste wet van het bestaan, de moederwet, verklaart hoe ooit alles een keer uit het niets is ontstaan. Het absolute begin dus. ‘Maar als er helemaal niets is, kan er toch ook helemaal niets ontstaan?’ Ik begrijp je punt, maar dat komt omdat je redeneert vanuit je aardse leven, je aardse omgeving en je aardse tijd. Als je eenmaal op de Dag des Oordeels bent aangeland, zal mijn nichtje Sharon je dat haarfijn en tot in de kleinste details uitleggen. Tot ziens. |
Olympische spelen, Sotsji, Rusland, februari 2014
Het geknars in de schaatshal was duidelijk te horen. De klapschaats ging open en direct weer dicht. De Hollandse Janet zag haar tegenstandster, een Amerikaans meisje, niet. Die reed achter haar. Maar nu was het haar beurt om de buitenbocht te nemen. De vingers van haar coach gingen naar beneden. Dat betekende dat ze sneller was dan de Duitse vrouwen die al voor haar hadden gereden. Ze versnelde. Ze zou en moest als eerste de bocht uitkomen. En dan was het slechts een kwestie van consolideren. Alles leek nu in slow motion te gaan. Haar coach kwam dichterbij, met de vingers nog steeds naar beneden gericht. Toen gebeurde het. Er kwam beweging in de langharige en bebaarde man. Zijn rechterbeen gleed weg, niet naar de zijkant, maar naar het midden. Janet wist het al, vier jaar training naar de knoppen. Het zware lichaam van de coach verloor het van de zwaartekracht en kwam terecht op het kunstijs dat met zeer veel zorg door de ijsmeester was geprepareerd. Haar rechterbeen gleed naar voren en zwenkte naar rechts weg. De coach zette zijn ongelukkige en onbedoelde tocht naar het middendeel van de ijsbaan voort. Zij zette haar linkerschaats weer op het ijs. Maar haar rechterschaats naderde de vallende man. Ze kon er niet langs. Ze zag zijn gezicht. Zijn mond viel open, zijn ogen stonden wijd en zijn handen hield hij voor zijn gezicht. Er langs glijden of bijsturen, maar dat zou teveel tijd kosten. Toen zag ze die andere oplossing, een gok was een betere uitdrukking. Haar linkerschaats hield ze iets langer op het ijs dan de bedoeling was. Haar rechterbeen trok ze op. Nu, dacht ze, nu. Ze sloot haar ogen. Nu, nu. Elk ogenblik verwachtte ze de klap, maar ze stond nog steeds. Ze opende haar ogen. Voor haar lag niemand. Ze was erlangs. De schlemiel. De schlemiel van de eeuw. Twee millimeter en vier jaar training was naar de knoppen geweest. Twee millimeter, een afstand van niets, maar wel vier jaar. Shit, de bocht. Ze gooide haar kleine, slanke en afgetrainde lichaam in de buitenbocht. Ze zag nog niets. Nog geen tegenstandster. Ze was nu halverwege de bocht. Ze hoorde het bekende geluid achter zich. De Amerikaanse was vlakbij. Janet kwam de bocht uit, maar haar tegenstandster net iets eerder. God, wat haatte ze dat kind. Nooit zie je die Amerikanen op internationale wedstrijden, behalve in het jaar van de Olympische Spelen. Als irritante muggen zwermen ze om je heen, kapen alle prijzen weg, scheppen op in de vele talkshows en daarna hoor je nooit meer iets van ze. Janet concentreerde zich op haar. Ze was haar naam kwijt, maar dat was nu niet belangrijk. Ze moest die Amerikaanse verslaan. Zij, Janet, was favoriet en niemand anders. Maar nu was deze kleine Amerikaanse er ineens. En wat was haar sterke punt? De sprint misschien? De haat werd groter, terwijl de Amerikaanse best aardig was. Twee dagen geleden had ze nog een bos bloemen van haar gekregen. Voor je moeder in het ziekenhuis, zei ze met een lieve glimlach. En dat haar enkel maar snel mag genezen. En het was gemeend, anders had ze er wel voor gezorgd dat de pers erbij stond tijdens de overhandiging. De bel ging. Nog één ronde. Ze lag bijna gelijk met haar tegenstandster, maar die dook nu de binnenbocht in. Bijhouden, bijhouden. Maar de Amerikaanse liep weg. Janet kwam weer op het rechte gedeelte. Het is nu of nooit. Ze zette aan. Als die schlemiel er maar niet meer staat. Gas geven, gas geven. Het publiek schreeuwde. Janet dook de binnenbaan in, haar tegenstandster nam de buitenbaan. In het publiek keek een vrouw naar de schaatswedstrijd. Ze schreeuwde niet, maakte geen aantekeningen, maar volgde de beide rijdsters emotieloos. Een blauwe muts bedekte de haren van Sharon. Terwijl iedereen begon te staan, te schreeuwen en te gebaren, bleef zij rustig zitten. De mensen voor haar stonden op de banken en Sharon zag niets meer. Ze draaide haar hoofd naar links en keek naar het grote scherm in het stadion. Dit was voor haar voldoende. Janet viel de binnenbocht aan. Met volle snelheid. Alles of niets. Haar tegenstandster reed nog steeds voor haar, maar die had een langere weg te gaan. Ze voelde de druk op haar benen. Elk ogenblik verwachtte ze dat haar been ongecontroleerd zou wegglijden. Maar daar hoefde ze zich niet meer ongerust over te maken. Een rechte ijsbaan lag voor haar, zonder bochten en nog veel belangrijker, zonder tegenstandster. Ze gooide haar handen los en dwong haar lichaam tot een uiterste krachtexplosie. Ze zag de finishlijn van de vijftienhonderd meter, de koninginnenrit, al liggen. Dit moest lukken. Ze keek alleen maar rechtuit. De afstand tot de finishlijn werd kleiner. Nog vijf meter. Ze hoorde het publiek schreeuwen. Ze stonden op de banken en zwaaiden. Haar ogen draaiden naar rechts en ze zag hoe de Amerikaanse naast haar lag. Op dat ogenblik passeerden ze allebei de finishlijn. Janet twijfelde, had ze gewonnen en had ze misschien ook nog een nieuw olympisch- of wereldrecord gereden? Of, of? Ze keek naar haar tegenstandster. Die had haar muts afgedaan en twee blonde paardenstaartjes waaiderden naar achteren. De Amerikaanse keek achterom naar Janet. Ook bij haar stonden de vraagtekens in de ogen. ‘Een nieuw olympisch- en wereldrecord,’ schreeuwde de stadionluidspreker zowel in het Russisch als in het Engels. Wat een klootzak, interesseert me nu niets. Janet keek naar haar tegenstandster die nog voor haar aan het uitschaatsen was. Ze gaf nog geen teken van een overwinningsgebaar. Ook de traantjes van verdriet stroomden nog niet naar beneden. Dus zij wist ook nog van niets. Het publiek begon weer te schreeuwen. Het is dus bekend. En op dat ogenblik zag ze het. Op het grote scorebord. Haar ogen draaiden. Daar stond de uitslag. Slechts een verschil van een tweehonderdste seconde. De schlemiel, de schlemiel. Als ik mijn been niet als een mannetjeshond had moeten optillen, dan had ik gewonnen. Terwijl het publiek de Amerikaanse in de uitverkochte hal toejuichte en Janet verslagen op een bankje naast de ijsbaan zat, verliet Sharon de tribune. ‘Gaat het?’ Janet voelde een hand op haar schouder. Ze zat op een van de bankjes van de kleedkamer met haar hoofd naar beneden. Ze had haar coach nog niet gesproken. Was waarschijnlijk naar een Zuid-Amerikaans land gevlucht, tenminste als hij verstandig was. Ook de Hollandse televisie ontliep ze voorlopig. En het Amerikaanse mediacircus had nu helemaal geen belangstelling voor haar. ‘Ik ben het, Wendy.’ Ja, zo heette ze ook weer, Wendy. ‘Gefeliciteerd met je medaille, Wendy.’ Dat ze ook een olympisch- en wereldrecord had gereden, was haar totaal ontschoten. ‘Had je nog veel last van jouw coach toen die viel?’ Wat een vraag. Wrijf het mij nog eens in. ‘Nee hoor, ik heb hem helaas gemist.’ ‘Gelukkig maar, want zo had ik echt niet willen winnen.’ Amerikanen blijven toch Amerikanen. Janet ging rechtop zitten en keek Wendy aan. Die stond voor haar, met natte haren. Een handdoek hield ze kuis om haar middel. ‘Neem toch ook even een douche, daar knap je zo van op.’ Janet dacht na. Eigenlijk wilde ze nog niet, maar ze had nu ook geen zin in een sociaal gesprek. ‘Hoe gaat het met je moeder?’ Oh, wat haatte ze dat kind, dat vriendelijke kind. Geen enkele keer sprak ze over haar record en medaille. ‘Gaat het goed met haar?’ Janet knikte. ‘Gelukkig, een oom van mij heeft ook een keer zijn enkel gebroken en moest toen meer dan een week in het ziekenhuis blijven. Het was een gecompliceerde breuk.’ ‘Ik ga ja advies opvolgen,’ interrumpeerde Janet. Ze stond op, trok haar kleren uit, nam haar handdoek mee en liep naar de douche. Een paar seconden later vielen de eerste waterdruppels op haar bezwete lichaam. ‘Janet!’ Ze baalde. Ze had nog steeds geen zin in een gesprek en het nemen van een douche was een vlucht geweest om even van haar verlost te zijn. Toen dacht ze weer aan die bos bloemen en de belangstelling die ze voor haar moeder had getoond, zo vlak na haar succes. ‘Ja.’ Geen antwoord. ‘Wendy!’ Nog steeds geen antwoord. ‘Wendy?’ Het bleef stil, op het geluid van voetstappen na. Janet keek in de richting van de kleedkamer. Om de hoek kwam een vrouw aangelopen. Ze was zwanger en had blond haar. ‘Wie bent u en wat doet u hier?’ Janet voelde zich niet op haar gemak. Ze keek waar haar handdoek was, maar daarvoor moest ze langs de zojuist binnengekomen vrouw lopen. Sharon, gekleed in een lange grijze broek en een blauwe coltrui, kwam steeds dichterbij. Wat wilt u?’ ‘Ik wil even met je praten, Janet.’ ‘Waarover?’ Ze keek langs Sharon, op zoek naar andere gebruiksters van de kleedkamer. ‘Er is hier niemand, Janet, en er komt ook niemand. Daar heb ik voor gezorgd.’ Janet liep langzaam naar achteren. Ze had wel eens van die verhalen gehoord. Er gebeurde veel in de vrouwenkleedkamers. ‘Je hebt de verkeerde voor je. Ik ben geen pot.’ ‘Daar kom ik ook niet voor, Janet.’ Sharon kwam dichterbij. ‘We gaan een reis maken.’ ‘Een reis, waar naartoe?’ Allerlei gedachten schoten door haar heen. Was dit een ontvoering? Maar dat kon niet! Sotsji was vrijwel van de buitenwereld afgesloten. Ongezien wegkomen was onmogelijk. Sharon liep naar Janet toe en sloeg haar armen om haar heen. De beide lichamen begonnen te schudden. Na twee minuten legde ze de bewusteloze Janet op de grond neer. ‘Zorg dat je op tijd bent, Janet. Want je hebt net gezien hoe groot de gevolgen zijn als je maar een tweehonderdste van een seconde te laat bent. Je verliest dan de race en pas vier jaar later krijg je de herkansing. En dat wordt jouw specialisme.’ Sharon draaide de kraan van de douche dicht en liep weg. |