HECKLER
GA NAAR FOTO'S LAATSTE COMPETITIEDAG THOR

GA NAAR FOTO'S PINKSTERTOERNOOI THOR



Op deze site staan de boeken van vader en zoon Frits Heckler.

Het boek van mijn vader is zijn dagboek dat hij heeft geschreven tijdens zijn krijgsgevangeschap in Birma. Dit dagboek beshrijft hoe mijn vader wordt opgeroepen om zich te melden op Java, de reis ernaartoe, de mobilisatie op het eiland Madoera, waar hij gelegerd werd, het ooggetuigenverslag van de Japanse aanval op Soerabaya, de capitulatie van het eiland, het leven als krijgsgevangene in Indonesie, de vreselijke en onmenselijke transporten naar Birma (liggen in een schip met je benen gespreid, zodat daar weer iemand kon liggen) om tenslotte jarenlang ver in het oerwoud als slaaf te moeten werken aan de beruchte spoorbaan.
GA NAAR DAGBOEK


DDO (De Dag des Oordeels) is een spannende thriller die op basis van nog nooit eerder vertoonde en gepubliceerde inzichten de onderlinge samenhang tussen het leven, de dood en de tijd aantoont. Samen met zijn nichtje Sharon neemt professor James Long u mee op een fantastische reis die eindigt, maar tegelijkertijd ook weer begint op de echte Dag des Oordeels, vrijdag 13 juni 2014. Op die dag legt Sharon, gebaseerd op de theorie van haar oom, uit hoe het heelal ooit eens uit het “niets” is ontstaan (de eerste wet van het bestaan) en welke rol het leven, de dood en de tijd hierin spelen.(de tweede wet van het bestaan) Ook de ware betekenis van de Dag des Oordeels wordt onthuld en die dag ziet er heel anders uit dan verwacht. Er wordt inderdaad een oordeel geveld, maar de wijze waarop dit gebeurt, is zeer uniek en, maar dat is achteraf gezien, eigenlijk ook heel erg logisch.

Op dit ogenblik wordt de laatste hand gelegd aan dit boek, het is nog niet verkrijgbaar. Voor een uitgebreidere samenvatting GA NAAR DDO

BOEK DERDE GEHEIM VAN DE PIRAMIDES
Terug HET DERDE GEHEIM VAN DE PIRAMIDES

De verrasende debuutthriller van de op Scheveningen wonende Frits Heckler
Afpersing, onmenselijke verhoren, moord. Alles doet de concurrentie eraan om de formule, waarmee energie uit zeewater gewonnen kan worden, te bemachtigen. Daarom bouwen de ontdekkers van deze formule in het geheim een lab op Curaçao. Door de enorme tijdsdruk worden de gevolgen van het bijproduct, een niet-aardse energiesoort (derde geheim), onderschat. Als dan ook nog eens de blonde stewardess Rinske op het eiland verschijnt, loopt het helemaal uit de hand. Een romantisch samenzijn met een van de ontdekkers eindigt voor haar in een “confrontatie” met het derde geheim. Vanaf dat ogenblik is het eiland wereldnieuws en grijpt de Amerikaanse president in.
De verbeten strijd van de broers Terveld om de formule, waarmee energie uit zeewater gewonnen kan worden, onder controle te krijgen.
BOEK BESTELLEN
DE PERSONAGES EEN STUK UIT HET BOEK
Rinske van der Meer

Nederlandse stewardess. Natuurlijk blond. Heeft als hobby diepzeeduiken. Liet per ongeluk in een vliegtuig, dat onderweg was van Amsterdam naar Curaçao, een glas whisky op de schoot van een passagier vallen. Dat had ze beter niet kunnen doen. Zowel haar leven als de loop van de wereldgeschiedenis veranderde hierdoor drastisch. Het vliegtuig landde overigens zonder problemen.

Jan Terveld

Net afgestudeerd en nu promovendus aan de universiteit van Delft. Daar doet hij onderzoek om zinnige en verborgen informatie te halen uit schijnbaar onlogische gebeurtenissen. Een Hollandse whizzkid, verlegen, maar toch aantrekkelijk voor het vrouwelijke geslacht. Heeft een vriendin die Selma heet.
Jan ontdekte als eerste de versleutelde geheimen van de piramides. Hij probeerde de code te breken, maar die bleek geraffineerder in elkaar te zitten dan hij in eerste instantie dacht.

Peter Terveld

De (veel) oudere broer van Jan. Scheepvaartdirecteur in Rotterdam. Tot voor kort de ideale schoonzoon. Houdt van macht, geld en blonde vrouwen. De volgorde is niet belangrijk. De hoeveelheid wel.

Hoc Junior

De Japanse vriend van Jan. Woont al vanaf zijn tiende in Nederland. Maar op het ogenblik dat hij geld rook, was deze vriendschap direct afgelopen. Kwestie van het stellen van prioriteiten, zoals hij later verklaarde.

Hoc Senior

De in Australië wonende vader van Hoc Junior. Rijk geworden door de telecommunicatie. Afpersing, het inzetten van escortdames, moord, staan bovenaan op zijn cv. Heeft er veel succes mee.

Carl

De met een blonde kop uitgeruste Duitser Carl is informant van beroep. Combineert werk met hobby. Peutert informatie los uit tegenstribbelende personen die hij heel beleefd en correct zijn klanten noemt. Geeft de gegevens door aan zijn opdrachtgever, Hoc Senior. Carl is zeer toegewijd, vooral als hij vrouwelijke klanten heeft. Dan is hij op zijn best. Geniaal is hier een beter woord voor.

Selma ter Horst

De Nederlandse vriendin van Jan Terveld met als hobby archeologie. Maar haar eigen genot, verlangens en wensen overvleugelen het gevoel dat ze voor hem heeft. Wordt tegen haar wil in een tegenstribbelende klant van Carl.
‘Ze was een kanjer,’ zei de Duitser later tegen iemand die dat liever niet wilde horen.

Bill Jones

Oliemagnaat uit Texas. Probeert mee te profiteren van de gebeurtenissen op Curaçao. Zijn doorzichtige pogingen lijken te mislukken, maar dan zet hij zijn troefkaart in. En elke professionele speler zou die wel willen hebben.

Nancy Parker

De troefkaart van Bill Jones. Deze dertigjarige brunette is een katje dat je niet moet aaien als ze dat niet wil. En als ze het wel wil, dan moet je helemaal oppassen. Stak bijna in een overvol restaurant het kruis van de verwaande student David in brand. Eigen schuld, had die dan ook maar geen hoorbare opmerking over haar kledij moeten maken.
Ergens boven de Atlantische oceaan

Op tien kilometer hoogte en ongeveer een uur na de start maakte Peter Terveld zijn veiligheidsgordel los. Hij droeg een verzorgde blauwe spijkerbroek en een gestreken roodwit geblokt ruitjesoverhemd met korte mouwen. Het eerste uur van de reis lag de Jumbojet, die richting Curaçao vloog, onrustig in de lucht. Tot opluchting van de vele passagiers had de captain nu het teken Fasten Seatbelts uitgeschakeld. De man naast hem, die ook businessclass reisde, stond op en ging direct, net als meerdere passagiers, naar de wc. Peter bleef zitten en liet zich meeslepen met het verhaal dat hij las. Hij zat voorovergebogen en een gerichte lichtbundel uit een klein halogeenlampje scheen op de witte bladzijden met de zwarte letters. Bij toeval ontdekte hij op Schiphol een voor hem nog onbekende uitgave van de schrijver Clive Cussler, genaamd Schokgolf. De avonturen van de hoofdrolspeler Dirk Pitt deed het jongensachtige in hem weer naar boven komen. Ook herkende hij zichzelf in deze held en vrijbuiter.
Een schaduwpatroon viel over de regels van zijn boek. Peter keek op en zag een blonde stewardess staan. Ze droeg geen overbodige ringen en haar nagels waren bewerkt met een lichtkleurige lak. Een paar sproetjes op haar ronde gezicht accentueerde de frisse en speelse uitstraling daarvan. Hij schatte haar op een jaar of drieëntwintig.
‘Wilt u iets drinken, mijnheer?’
‘Een biertje gaat er altijd wel in.’ Ze liep weg en hij was weer in de buurt van de Zuidpool. Zijn held Dirk Pitt had net een jongedame, natuurlijk met het uiterlijk van een succesvol fotomodel, gered van de bevriezingsdood. Gearmd, om haar tegen de kou te beschermen, liep hij met haar terug naar zijn onderzoeksschip. Een extra kajuit voor haar was er niet, maar Dirk was een heer. En man tegelijkertijd.
Peter stopte met lezen en keek door het raampje naar buiten. Tussen de wolken door zag hij het blauw van de Atlantische oceaan schitteren. Even dacht hij een schip te herkennen, maar een wolk ontnam al snel het uitzicht daarop. Hij begon weer aan zijn boeiende boek. Hij had dan ook niet in de gaten dat zijn buurman, met wie hij nog geen woord had gewisseld, terugkwam. Die drukte direct op de knop in de armleuning. Het lampje boven zijn hoofd ging branden.
‘Een ogenblik mijnheer,’ zei de blonde stewardess met haar opgebonden haar. Zij nam net de bestelling op van een wat oudere dame. In haar lange uniformrok liep ze daarna galant naar achteren om de gevraagde bestellingen te halen.
‘Juffrouw,’ riep hij op een autoritaire toon, ‘ik heb u geroepen, dus wilt u zo vriendelijk zijn om direct langs te komen.’
‘Een ogenblik mijnheer, ik kom er zo aan,’ zei ze. De toon bleef nog steeds vriendelijk. Ze keek hem niet aan, niet eens een kleine beweging met haar hoofd en verdween naar achteren.
Peter bestudeerde zijn buurman. Het was een klein iel mannetje met een zwart maatpak en een wit overhemd, gesierd door een schreeuwerige gele stropdas. Zijn overdreven keurig gepoetste schoenen waren zwart. Een metalen ziekenfondsbril met een goud randje steunde op zijn neus. Peter negeerde hem en las verder.
Na een paar minuten verscheen de blonde stewardess weer, gaf eerst de andere passagiers hun bestellingen en kwam als laatste bij Peter. ‘Alstublieft mijnheer, uw biertje.’ Nog voordat Peter haar kon bedanken begon de man met het ziekenfondsbrilletje te spreken.
‘Juffrouw, weet u het verschil in prijs tussen de economy- en businessclass?’
Zij keek hem met een vraagteken in haar ogen aan. ‘Dat weet ik niet zo uit mijn hoofd, maar als u er prijs opstelt dan vraag ik het de purser wel.’
‘U moet weten juffrouw, het verschil is ettelijke duizenden Euro. En wat krijg je er extra voor? Niet dat ik eerder aankom, maar ik heb iets meer beenruimte en zoals wordt beweerd is de service beter.’
De stewardess slikte even. Peter stopte met lezen om deze conversatie beter te volgen. Hij keek naar de blonde dame. Op haar naamplaatje stond: Rinske van der Meer.
‘En van dat laatste merk ik helemaal niets. Ik roep u en u negeert me gewoon.’
Rinske voelde zich niet meer op haar gemak. ‘Neemt u mij niet kwalijk mijnheer, het is een beetje druk,’ stamelde zij.
‘Druk, druk,’ riep het mannetje opgewonden, ‘ik zie nauwelijks een hond. Jullie jonge meiden zijn veel te veel verwend en daarbij ook nog lui.’ Steeds meer passagiers keken naar dit tafereel.
‘Wat kan ik voor u doen?’ zei ze nog steeds vriendelijk. Het kwam er moeizaam uit.’
‘Duizenden Euro extra en nog moet je wachten totdat het bedienende personeel zich goed genoeg voelt om hun werk te doen.’
Rinske zei niets en herhaalde de vraag.
‘Geef mij een glas whisky on the rocks, maar wel een beetje snel.’
‘Komt in orde mijnheer.’ Met een steeds roder wordend hoofd snelde ze weg. Peter keek de man nog even aan en concentreerde zich weer op zijn boek. Ook de andere passagiers gingen weer door met hun bezigheden. Binnen twee minuten kwam Rinske terug, met op het dienblad de gevraagde whisky.
‘Oh shit,’ hoorde Peter de stewardess op luide toon zeggen. Hij keek op en zag haar staan. Dat beeld zou hij nooit meer vergeten. Voor eeuwig was dat, net als bij een cd, in zijn geheugen gebrand. Rinske hield een hand voor haar mond om ervoor te zorgen dat niet nog meer in haar beroep verboden woorden eruit zouden floepen. In haar andere hand hield ze het dienblad. Alleen dat was leeg. Het mannetje keek alsof de complete Niagara watervallen op hem terecht waren gekomen. Peter zag dat de whisky over zijn mouw stroomde. Het glas, dat nu leeg was, lag op zijn broek. Peter schoot in de lach.
‘Sta niet zo stom te grijnzen kind, doe wat,’ schreeuwde de met whisky overspoelde man.
Rinske bleef roerloos staan alsof ze een standbeeld van massief beton was.
‘Haal toch een doek, stom rund.’
Rinske kon zich nog steeds niet bewegen en stond lijkbleek toe te kijken.
‘Hier,’ zei de nog steeds lachende Peter. Hij gaf zijn buurman een zakdoek. ‘Hiermee kun je het ergste er afvegen.’
Het mannetje draaide zijn gezicht om en zette zijn ziekenfondsbril recht. ‘Mijn pakken worden niet gereinigd met snotdoeken, jongeman.’ Peter keek hem stom aan en stopte zonder iets te zeggen het vierkante stuk textiel weer in zijn broek. Dirk Pitt zou hetzelfde hebben gedaan. Ondertussen kwam Rinske weer tot leven.
‘Het spijt me mijnheer, ik haal meteen een doek.’ Ze rende weg en keerde binnen een minuut met een andere stewardess terug.
‘Het spijt ons verschrikkelijk, mijnheer en we zullen er alles aan doen om de schade te herstellen. Trouwens, ik ben Maaike Licht, uw purser op deze vlucht en wat is uw naam?’
‘Dat gaat u niets aan.’ Ruw trok hij de doek uit de handen van Rinske en stond op. ‘Luister juffrouw.’ Hij keek Maaike recht aan. ‘Ik ga nu naar het toilet om de boel schoon te maken. Als ik terugkom verwacht ik dat de captain hier staat, en dat dat stomme rund is verdwenen. Als ik weer in Holland ben zal ik officieel een klacht indienen tenzij de maatschappij mij kan aantonen dat ze is ontslagen.’
‘Mijnheer,’ zei Maaike met een zeer professionele en zakelijke toon. Haar stem klonk stoer, doordringend, maar toch vrouwelijk. ‘Dit behoort niet tot de normale procedure, bovendien was het een ongeluk en onze medewerksters zijn geen runderen. Het is vervelend wat er is gebeurd en wij zullen ervoor zorgen dat alle schade wordt vergoed. De captain krijgt u niet te spreken.’ Deze laatste woorden had ze net zo goed tegen het lege dienblad kunnen zeggen want het mannetje was al op weg naar de wc.
Maaike keek naar Rinske die zich duidelijk aangeslagen voelde door dit voorval. ‘Ga maar naar achteren en neem je pauze en zeg tegen Astrid dat ze jou nu moet aflossen.’ Trillend liep de lange Rinske weg. Maaike keek Peter aan en verontschuldigde zich bij hem.
‘Als je eens wist wat ik met een blad vol hete koffie heb uitgehaald,’ zei Peter.
‘Ach mijnheer, niet iedereen ziet er de humor van in.’ Met een glimlach op haar gezicht verdween Maaike naar achteren.
Na vier minuten kwam het mannetje terug, met in zijn hand zijn colbert. Op zijn broek was een grote waterplek zichtbaar. Maaike kwam direct aangelopen en nam het colbert in ontvangst. Ze zei nog iets tegen hem. Kennelijk was dit naar zijn tevredenheid, want hij knikte en ging op zijn plaats zitten zonder ook maar iemand aan te kijken.
Peter was nog maar net aan zijn boek begonnen toen hij Rinske zag aankomen. Zij stopte bij het mannetje en tikte hem op de schouder. Met een licht verlegen ondertoon in haar stem zei ze: ‘Mijnheer, ik bied mijn excuses aan voor wat er is gebeurd en hier heb ik iets voor u.’ Ze overhandigde hem een doosje. Peter dacht dat er chocolaatjes inzaten.
Het mannetje keek haar aan. ‘Ik dacht dat we hadden afgesproken dat u hier niet meer zou komen. Types als u zijn er alleen maar goed voor om met de benen gespreid op bed te liggen. Behalve het gevaar van het overbrengen van aids kunt u op die manier uw klantenkring geen kwaad doen.’
De verlegenheid van Rinske sloeg om in woede. De uitdrukking in haar ogen veranderde zo snel alsof plotseling zware hagelstenen met de lichtsnelheid naar beneden vielen. ‘Luister eens, mislukte yup,’ zei ze op een gedempte toon zodat alleen Peter dit kon horen, ‘types als u kunnen alleen maar vervoerd worden door een touw aan hun elfde vinger te binden en dat te bevestigen aan de achterkant van het vliegtuig. Behalve het gevaar dat het er onderweg afscheurt, kunt u op die manier het bedienende personeel geen kwaad doen.’
Het mannetje keek haar verbaasd aan, werd rood en schreeuwde. ‘Dit zal je zuur opbreken, dit kost je je baan, dit vecht ik aan, uit, aan.., tot de Hoge Raad toe, dit ... eh, eh.’ Het naamloze mannetje kwam niet meer uit zijn woorden.
Rinske werd doodsbleek. Ze besefte dat dit inderdaad haar baan wel eens zou kunnen kosten. Ander werk vinden was geen probleem, maar bij deze maatschappij kon ze vrijwel voor niets vliegen. En dat zou deze reislustige dame dan wel eens kwijt kunnen zijn. Op haar mooie gezicht kwamen de eerste tranen. Vanuit de economyclass kwam Maaike al aangerend. Alle passagiers hielden hun ogen op het mannetje en de beide stewardessen gericht.
‘Nu gaat ze te ver,’ schreeuwde hij tegen Maaike. Woedend stond hij op. Hierbij stootte hij zijn knie tegen de klaptafel. Hij herhaalde de laatste woorden van Rinske. Alleen zijn deel van het verhaal sloeg hij over. Maaike draaide zich om.
‘Heb je dit echt gezegd?’

‘Mevrouw Licht,’ zei ineens een duidelijke en krachtige stem. Iedereen keek naar de eigenaar daarvan. Deze was afkomstig van Peter. ‘Ik heb toevallig gehoord wat er is gebeurd. Zij,’ hierbij wees hij naar Rinske, ‘bood mijnheer haar excuses aan en overhandigde hem een doosje.’
Niemand zei iets.
‘Het enige antwoord van deze vlerk was dat hij het zou accepteren in ruil voor seksuele diensten. Ze heeft toen netjes maar zakelijk en resoluut geantwoord dat bij deze maatschappij dit soort diensten niet in de standaardovereenkomst zitten en dat ze er dus ook niet op in kon gaan. Op dat moment ging mijnheer een rel maken.’ Peter pakte zijn portefeuille en haalde er twee visitekaartjes uit. Eén gaf hij aan Maaike en de ander aan de stomverbaasde Rinske.
‘Mocht deze mijnheer ooit moeilijk gaan doen dan kunt u mij altijd bellen, desnoods laat ik het afhandelen door de juridische afdeling van mijn zaak.’ Het mannetje keek Peter aan en wilde iets tegen hem zeggen. Gezien de moordende blik in diens ogen kwam hij tot de conclusie dat zwijgen in dit geval verstandiger was. Maaike en Rinske verdwenen. Peter pakte zijn boek en deed voor de zoveelste keer een poging om te lezen.
Het mannetje keek versuft voor zich uit, alsof zijn favoriete club met nog een minuut te gaan een drie nul voorsprong uit handen had gegeven. Na een paar minuten draaide hij zich om en sprak tegen Peter. ‘Mijnheer, ik wil ..’.
Verder kwam hij niet. Peter legde het boek op zijn schoot en pakte één van de vingers van de linkerhand van het mannetje beet. ‘Als je wilt dat ik je vinger niet breek, dan moet je nu heel goed naar mij luisteren.’ Hij pakte met zijn andere hand de neus van de kleine etterbak beet en zette die in een soort klem. ‘Begrepen?’
Het doodsbenauwde mannetje knikte angstig.
‘Heel goed jongen,’ zei Peter. De neus kreeg zijn vrijheid terug, maar de vinger zat nog steeds in een dodelijke omhelzing. ‘Het eiland is klein en dus weet ik je te vinden. Je schopt geen herrie meer en je dient ook geen aanklacht in, begrepen.’
Het mannetje knikte.
‘Goed zo jongen, want anders vervoer ik je inderdaad op de manier zoals dat lieve blondje dat zo mooi en poëtisch heeft beschreven. Achter een auto op een hobbelig pad. Daarbij zal ik er dan voor zorgen dat zij zelf het touwtje vastbindt.’ Peter aaide hem nog over zijn bolletje en liet de vinger los. Gedurende de rest van de reis vroeg het mannetje niet meer om drankjes en weigerde ook zijn maaltijden. Ook Rinske liet zich niet meer zien.

Oostkust van Australië

Het was al avond. De oude witte Bentley, vaak gebruikt als trouwwagen, stopte bij de hoofdingang van het Telecom International Research gebouw. Het bedrijf en de trots van Hoc Senior. De chauffeur in zijn zwarte pak sprong direct uit de auto, rende naar de achterdeur, deed deze open en ging in de houding staan. Ingetrokken buik, met zijn rechterhand saluerend en omhoog kijkend. Hoc Junior gunde hem geen blik en liep over de rode loper, die elke dag door een andere werd vervangen, het honderdtwintig meter hoge kantoor in dat veel weg heeft van het gebouw van de Verenigde Naties in New York. Rechthoekig en met veel donker glas.
Een lid van de beveiligingsdienst ving hem op. Deze karatespecialist vergezelde hem direct naar de speciale lift die toegang gaf tot de directiekamer op de bovenste verdieping.
Het gezoem van de motoren zwol aan en de lift begon aan zijn twintig seconden durende reis naar boven. Junior had al vaak in deze lift gestaan, maar vandaag was het anders. Hij moest voor het bureau verschijnen, zoals dat heette. Het beroemde bureau van Hoc Senior. Vele belangrijke en verstrekkende beslissingen waren daar genomen. Ook velde Hoc Senior hier zijn niet herroepbare oordelen. Werknemers die een goede prestatie hadden geleverd, kregen dat daar te horen. Voor de rest van hun leven waren hun financiën dan geregeld. Maar ook als het fout was gegaan moest men daar verantwoording afleggen. En nu was het fout gegaan en hoe. De ontsnapping van Sandy, het niet goed interpreteren van de gegevens door hem, de ontploffing en de verdwijning van Jan. En nu mocht hij verschijnen.
Het geluid van de motoren stierf uit. De lift minderde vaart en een paar seconden later gingen de deuren automatisch open. Een andere beveiligingsbeambte, een stuk hoger in rang dan zijn collega beneden, ving hem op. Gezamenlijk liepen ze door de dertig meter lange gang naar het kantoor van zijn vader. De vloer was bedekt met een rood tapijt, de lievelingskleur van zijn vader. Aan de muren hingen diverse schilderijen van oude Hollandse meesters, waaronder enkele zeeslagen van vader en zoon Van der Velde.
‘Welkom terug,’ zei Sheila, de privé-secretaresse van zijn vader. Geheel tegen de Japanse traditie in gaf ze hem twee zoenen op zijn wang.
‘Jij wordt ook elke keer knapper als ik je zie,’ loog Hoc. De vele kleine bloedvaten in haar hoofd verwijdden zich iets en haar beide wangen kregen een rode kleur.
‘Kom verder,’ zei ze, ‘je vader zit al op je te wachten.’ Ze opende de deur en daar zag hij zijn oude heer zitten.

Drie jaar geleden had zijn vader deze plaats van zijn grootvader overgenomen. Die had de telecommunicatie in Japan en Australië grootgemaakt, voornamelijk op het gebied van de traditionele telefonie. Dit leverde de familie Hoc vele miljarden op. Vanwege medische redenen moest de oude man uit de harde wereld van de telecommunicatie stappen. Vooral de opkomst van het internet ging hem te ver en zijn fysieke gestel trok het niet meer. Dit gold niet voor de huidige Hoc Senior. Al meer dan tien jaar geleden zag deze het nut van de glasvezel in. Met vele spoorwegmaatschappijen in de wereld sloot hij lucratieve deals af. Hierdoor kon hij op goedkope wijze tienduizenden kilometers glasvezel neerleggen. In het begin was het rendement laag. Een aantal goeroes in de ICT-wereld verklaarde hem dan ook voor gek. Twee jaar later hoorde niemand meer iets van deze profeten. En nu incasseerde een lachende Hoc Senior zijn investeringen en hoe.
Negen jaar geleden, tijdens een uitwisseling van kinderen van Captains of Industry, bezocht Jan Terveld de familie Hoc in Australië. En het klikte meteen. Het tegenbezoek van de beide Hoc’s liet niet lang op zich wachten. Senior raakte onder de indruk van de Hollandse economie, wetenschap en schilderkunst.
‘Hier moeten wij meer van afweten,’ zei hij tegen zijn zoon. Hij schreef Junior direct in bij het beroemde taleninstituut in Vught dat door een aantal nonnen was opgericht. En sindsdien is zijn zoon in Holland gebleven.

Hoc Senior zei niets. Alleen zijn vinger bewoog. Dit betekende dat Junior plaats mocht nemen op de bruine lerenstoel voor het bureau.
‘Hoe is het mogelijk,’ schreeuwde Senior, ‘ik betaal ze meer dan een minister en onder hun neus vandaan wordt hij door vier aangeklede apen in blauwe pakken bevrijd, om het woordgebruik van Carl maar eens te citeren.’
‘Vader, het was gewoon domme pech dat ze net op hetzelfde moment eraan kwamen.’
‘Domme pech noem je dat. Het is een blunder. Al maanden lang bereiden we dit voor. Alleen maar om op het juiste ogenblik toe te slaan en dan dit.’
Hoc Senior pakte de brief van Jan aan Otto. Hij liet die aan Junior zien. ‘En jij zoon, jij hebt puur geluk gehad dat je deze brief te pakken hebt gekregen. Anders had ik, ondanks dat je mijn bloedeigen zoon bent, je zondermeer van dit project ontslagen. Weet je wel wat er gaat gebeuren als zij het vinden en niet wij? Dan wordt Nederland of Europa een economische wereldmacht. En dat mag nooit gebeuren. Wij moeten het hebben. Ik wil dat het blanke volk op hun knieën naar ons toe komt kruipen. Met in hun linkerhand een tandenborstel om onze schoenen schoon te vegen. Ze hebben de wereld al lang genoeg gedomineerd. Het wordt tijd dat ze een tweederangs ras worden. Die Jan moeten wij grijpen.’
‘Vader, rustig nou. We weten waar hij is. Dus we krijgen hem wel te pakken. En als hij hier is, vindt hij heus dat jaartal wel voor ons. We geven hem gewoon een gezond portie drugs.’
Senior stond hoofdschuddend op en ging voor het raam staan. Hij haalde een paar keer diep adem. ‘En ondertussen doen we nog een proef.’
‘Wat heeft dat voor zin? Zolang we dat jaartal niet weten, is het verspilde moeite,’ zei Junior.
‘De bedoeling leg ik je zo wel uit. Eén ding wil ik eerst van je weten. Je zei dat als we een glazenkamer gebruiken, de boel niet kan ontploffen.’
‘Bijna goed,’ antwoordde Junior, ‘we moeten de lucht eruit zuigen, zodat er geen zuurstofmoleculen meer inzitten, want die hebben alle ellende veroorzaakt.’
‘Nee zoon,’ antwoordde Senior, ‘dat laatste klopt niet.’
‘Maar Jan zei dat ….’
‘Stop, Hoc. Eerst luisteren. Vlak voor de ontploffing gebeurden er vreemde dingen in het laboratorium. Ik zal je de band zo wel laten zien. Er onstond een groen gas en grote hoeveelheden lucht werd het lab ingezogen. Vervolgens gedroeg Dave zich heel vreemd toen het gas hem trof. Hij zei dat dit het was en dat we het hadden gevonden. En denk dan nu weer eens terug aan die brief. De tweede formule waar Jan het over had, met zijn onbekende en volgens hem niet-aardse eigenschappen. Dat geheim zit hem in het gas. Vandaar de reactie van Dave. Hij wilde iets zeggen. En ik wil weten wat. Ik moet weten wat het globaal inhoudt. Ik ben er heilig van overtuigd dat het iets heel bijzonders is. Daarom houden we nog een proef. In een glazenkamer met alleen lucht en geen water. We gebruiken weer dezelfde instellingen en ik hoop dat het groene gas weer ontstaat. Ik moet weten waarom hij zo gelukkig was. Iemand die dan in die ruimte zit, moet mij dat vertellen.’
‘En hoe wilt u dat bereiken?’
Senior begon te vertellen. Het hoofd van Junior werd steeds roder. Hij hyperventileerde lichtjes.

‘Dit is fantastisch,’ zei Hoc Junior een uur later, ‘maar is het wel moreel verantwoord?’
‘Zoon, we onderzoeken niet-aardse zaken, dus het is dan ook logisch om niet-aardse methoden toe te passen. Maar denk eraan,’ vervolgde Senior, ‘op deze manier weten we alleen wat het inhoudt. We hebben het nog niet. Daarvoor moet de code nog gebroken worden.’
‘En daartoe is alleen Jan in staat,’ zuchtte Junior, ‘hij heeft een denkwijze die niemand anders heeft.’
‘Ja zoon, ik laat Jan zo snel mogelijk hiernaartoe brengen. Carl is al met een team naar Curaçao vertrokken en begint vanavond in het casino. Ik weet ook niet waarom, maar laat hem maar schuiven. Jan is al een keer ontsnapt en het is zijn eer te na om dit voor een tweede keer te laten gebeuren. Dus reken er maar op dat het deze keer goed gebeurt.’

Curaçao, vliegveld

Na een rustige vlucht landde het vliegtuig zonder vertraging op de plaats van bestemming. Peter had bewondering voor de piloot. Geen enkel schokje voelde hij. Op zijn gemak wandelde hij naar de aankomsthal. De douanecontrole duurde langer dan hij gewend was, maar gaf geen noemenswaardige problemen. Eenmaal er doorheen keek hij rond of hij een bagagekar kon vinden. Links in de hoek stond er een. Hij slenterde ernaartoe, zette zijn handbagage erop en liep naar de transportband. Omdat hij vrij snel het vliegtuig had verlaten, moest hij nog een tiental minuten op zijn bagage wachten.
Hij hoorde wat gekraak en de band kwam in beweging. Peter had geluk. Zijn koffers kwamen met de eerste golf zodat hij snel richting uitgang kon. In de gemeenschappelijke aankomst- en vertrekhal was het gezellig druk. Het was een mengelmoes van mensen die vrienden of familieleden kwamen halen of wegbrengen. Behendig slalomde Peter door de menigte heen tot hij bij de uitgang kwam. Hij zag buiten een taxi staan en wilde ernaartoe lopen. Dat ging niet door. Een vriendelijke vrouwenstem achter hem zorgde voor een niet geplande vertraging.
‘Mijnheer, heeft u een ogenblik, ik wil u nog graag bedanken.’
Aangenaam verrast draaide Peter zich om. Hij zag Rinske staan. De combinatie van haar schoonheid en de verlegen houding deed hem direct smelten. ‘Eén ding spreken we af,’ zei hij, ‘ik heet Peter en geen mijnheer en het woord u wil ik niet horen.’ Hierbij stak hij ferm zijn hand uit die meteen door haar werd beantwoord.
‘Rinske,’ zei ze. Ze hield zijn hand iets langer vast dan het meestal de gewoonte is bij een eerste begroeting. ‘Ik weet werkelijk niet hoe ik u .. je moet bedanken.’
‘Graag gedaan, trouwens die vent was ook een vreselijke kwal. Die moest eens goed op zijn nummer worden gezet.’
Even stokte de conversatie omdat een aantal mensen op gehoorsafstand bleef staan. Na een paar luttele seconden liepen ze gelukkig weer door. Peter duwde Rinske in een hoek zodat ze iets meer privacy hadden.
‘Weet je,’ vervolgde ze, ‘ik ben zo’n flapuit, ik moet echt wat beter op mijn woorden gaan letten.’
‘En wat is er nou mis met een flapuit? Ik heb dat liever dan iemand die op een goedkope wijze over zich heen laat lopen.’ Ze moest hierom lachen. ‘Het had me mijn baan kunnen kosten.’
‘Nou en,’ zei Peter op een brutale toon, ‘zulke flapuiten als jij komen overal weer aan de bak.’
‘Dat is waar,’ zei ze lachend, ‘maar hoe kan ik je nu bedanken?’
‘Ik wilde het andersom doen. Ik wil je voor een drankje bij mij thuis uitnodigen. Hoelang blijf je nog op het eiland?’
Een aarzeling verscheen op haar gezicht. Hij merkte dit niet op. ‘Graag,’ zei ze, ‘trouwens, ik blijf hier twee weken en ga lekker duiken.’
‘In je eentje?’
‘Ja, ik heb drie weken geleden mijn relatie verbroken en moet er even tussenuit.’
‘Kan gebeuren,’ zei hij droogjes en uiterlijk emotieloos. In zijn hersens speelde zich een heel ander tafereel af.
‘Is overmorgen goed?’
‘Prima.’
‘Ik laat wel een taxi komen, in welk hotel zit je?’
‘In het Princess Beach Hotel.’
‘Toe maar,’ zei Peter, ‘het gaat kennelijk goed met je maatschappij. Ik zal ervoor zorgen dat er dan om acht uur een taxi voor je hotel staat.’
‘Ik heb liever negen uur.’ Dit was een van de vele strategische zetten die ze samen met andere vrouwelijke collega’s had uitgedokterd op hun lange reizen. Ga nooit in op het tijdstip dat een man je voorstelt. Altijd later. ‘Ik kan niet al te lang blijven, want ik moet de volgende dag al vroeg duiken.’ Ook deze tweede zet was van tevoren uitvoerig geanalyseerd.
‘Geen enkel probleem, als je aankomt maken we direct met de taxichauffeur een afspraak wanneer hij jou weer ophaalt, tot ziens.’
Dat was nou net weer niet de bedoeling van het strategische plan.
Hij gaf Rinske een hand, draaide zich om en liep fluitend naar buiten om een taxi te zoeken. Net voor zijn neus pikte het mannetje de nog enige vrije wagen in.
‘Mannetje, mannetje,’ dacht hij, ‘eigenlijk moet ik je heel dankbaar zijn.’

De blauwe auto aan de overkant van de taxistandplaats reed nog niet weg. Daarin zat een man die uit zijn broekzak een telefoon pakte, een nummer intoetste en bleef wachten tot hij verbinding had.
‘Hij is geland en alleen,’ antwoordde hij. Zonder op verdere response te wachten drukte hij op de rode knop. Hij bleef wachten tot Peter eindelijk een taxi vond. Carl startte de motor en reed de wagen achterna.